Hypotheses

In de loop der jaren zijn er verscheidene wetenschappelijke hypotheses naar voren geschoven om de speelverslaving te verklaren. De verschillende scholen in de geneeskunde en de psychologie hebben de slechte gewoonte om niet altijd akkoord te gaan en om elkaar soms zelfs aan te vallen. Het is echter zo dat alle hypotheses (waaronder ook die hieronder beschreven wordt) elkaar aanvullen.

Op fysiologisch niveau zouden er verschillende neurotransmitters een rol spelen in de ontwikkeling van de verslaving. De hoeveelheid dopamine dat gevoelens van plezier opwekt (een vergelijkbaar effect als bij drugs), zou bij probleemspelers bijzonder laag zijn. Daarom zouden ze meer moeten spelen dan niet-problematische spelers om plezier te ervaren. Men stelt ook een verstoring van het serotoninesysteem vast, wat een verklaring zou zijn voor het verlies van de controle over het gedrag en voor de impulsiviteit die vaak bij pathologische spelers waargenomen worden.

De gedragstheorieën onderstrepen dat spelen het resultaat is van een leerproces. Het individu heeft geleerd om op verschillende situaties op een bepaalde manier te reageren (een “stimulus” die tot een “reactie” leidt) en het feit dat het individu dat gedrag blijft vertonen, is hoofdzakelijk te wijten aan het plezier dat tijdens dat gedrag ervaren wordt (“bevestiging”).

De cognitieve benadering bestudeert veeleer de kennis die het individu van zichzelf en de wereld heeft. In verband met het pathologische speelgedrag heeft de meerderheid van de studies de wijzigingen onderzocht van de overtuigingen van de speler.

De huidige “cognitieve en gedragsbenadering” heeft zich de voorbije jaren sterk ontwikkeld. Die aanpak combineert niet alleen de cognitieve en de gedragsschool, maar heeft ook oog voor het emotionele aspect van de problemen.

Om de verslaving en het bijhorende gedrag (verlies van controle, risico’s nemen, …) te verklaren, zijn de hypotheses van de psychoanalyse interessant. Die laatste benadering gaat uit van de hypothese dat de hoofdoorzaak van gedragsproblemen niet bewust is. Het conflict dat verantwoordelijk is voor het feit dat het individu zijn problematische gedrag blijft vertonen, moet in de onderste lagen van de psyche gezocht worden.

De excessieve zoektocht naar plezier kan verklaard worden door de onmogelijkheid om aan elementaire impulsen (bijv. seksuele, agressieve impulsen) of behoeften (bijv. zelfstandigheid) te voldoen als gevolg van de eisen die de buitenwereld stelt: gezag van de ouders en/of de samenleving. Omdat die impulsen niet bevredigd kunnen worden (omdat ze soms verboden zijn), zouden mensen in gedragsvormen zoals het spel een surrogaat vinden.

Volgens Freud zou voor sommige mensen die een heel strenge opvoeding gekregen hebben waarin de seksualiteit onderdrukt werd, verslaving een substituut zijn voor masturbatie. Spelen zou dan een compensatie zijn voor niet-aanvaarde seksuele impulsen.

Spelen zou een manier kunnen zijn om het lot (en onbewust het ouderlijke gezag) uit te dagen, waarbij men de rol van verliezer aanneemt. Er zou dus een masochistisch element meespelen.