Passie is een kenmerk dat men heel vaak aantreft bij spelers. Het is dat obsederende verlangen naar een zaak, een voorwerp, een persoon of een gedragsvorm waaraan men niet kan weerstaan. Het is die vorm van gezochte onderwerping die door een ambivalentie gekarakteriseerd wordt: de persoon die door de passie meegesleurd wordt, vindt er zowel bevrediging (vervulling van zijn verlangens) als nadelen (lijden) in.
Die ambivalentie van de passie is ook aanwezig wanneer tegenstrijdige en tegengestelde emoties om de overhand strijden: liefde/haat, welzijn/angst, gevoel van identiteit/verlies van referentiepunten en angst voor de eenzaamheid.
Passie roept sterke en oncontroleerbare emoties op, maar doet ook genieten. Gedurende eeuwen werd passie door de samenleving (opvoeding, religie, …) van de hand gewezen. Ze werd beschouwd als excessief, als tegen de natuur, als onredelijk en als een bron van lijden. Ze stond tegenover de rede die ons in staat stelt om te kiezen en om daden te stellen waar wijzelf en de anderen beter van worden. Men zei zelfs (Dugas, 18e eeuw) dat het gepassioneerde individu zijn eigen beul (en tegelijk zijn eigen slachtoffer) was en dat het zijn eigen graf dolf.
Geleidelijk aan echter begon men in te zien wat passie inhoudt. Diderot onderstreepte: “Men gaat eindeloos tekeer tegen de passies. Men verwijt hun alle moeilijkheden die de mens ervaart, maar men vergeet dat ze ook de bron van alle plezier zijn.”
« Plezier ! », het hoge woord is eruit. Tegenover de vereisten die de wet en de rede ons opleggen, vervult het spel een bijzondere functie. We willen ons hier niet verliezen in diepgaande psychoanalytische overwegingen, maar wel is het zo dat spelen ons meer dan alleen maar plezier bezorgt, het doet ons genieten. De speler duikt even in een andere wereld onder, zijn wereld van het spel, waar hij en de wet één zijn ondanks de realiteit die het toeval hem oplegt. Het is het verlangen die de wet stelt, het verlangen om te spelen, om te genieten. De speler bevindt zich buiten de reële tijd en ruimte.
De passie vertoont bepaalde kenmerken. Zowel in de liefde tussen twee mensen als in de liefde voor iets anders, zoals het spel of de luchtvaart, is de passie vaak exclusief. De duur ervan ligt niet vast. Ze palmt het dagelijkse leven van het individu in en de rede heeft er geen plaats. Het is niet ongewoon om van de ene passie naar de andere over te stappen, waarbij de nieuwe passie dezelfde functie vervult, namelijk het zoeken naar plezier.
De passie voor het spel uitleggen zou ons tot psychoanalytische overwegingen leiden, waarvoor deze site niet de plek is. We wijzen er overigens op dat we geen algemene wetten kunnen geven omdat elke speler zijn persoonlijke verhaal heeft.
Om een voorbeeld te geven, kunnen we wel een van de interpretaties vermelden die Freud over de beroemde Russische schrijver , Fedor Mikhaïlovitch Dostoïevski (19e eeuw) gegeven heeft. Dostoïevski schreef niet alleen romans, “De speler” bijv. of “De gebroeders Karamazov”, maar hij was ook in de ban van de passie, de passie voor het spel en de liefde.
Dostoïevski was de zoon van een aan alcohol verslaafde, gewelddadige en tirannieke arts en Freud ontwikkelde de hypothese dat de schrijver de wens had om zijn vader te doden. Die wens die voor Dostoïevski’s geweten onaanvaardbaar was, werd naar het onderbewustzijn verbannen, samen met de bijhorende schuldgevoelens. De echte dood van de vader heeft bij de schrijver die wens om de vader te doden, weer aan de oppervlakte gebracht terwijl ook het schuldgevoel dat daarmee gepaard ging, benadrukt werd. Dat zou ertoe bijgedragen hebben om zijn passie voor het spel te verklaren. Spelen (winnen/verliezen, plezier ervaren/lijden) zou dan meer bepaald een functie van zelfbestraffing hebben. De Russische auteur zou zo een aanvaardbare manier gevonden hebben om te leven met zijn schuldgevoel over de wens om zijn vader te doden – hij strafte zichzelf door te blijven spelen ondanks zijn enorme schulden en zijn huwelijksproblemen.